toen internet bewoog

Toen ik kennismaakte met internet werd Netscape 2.0 gelanceerd. Netscape is een browser uit de tijd dat internet meer leek op een muisstille bibliotheek dan op een bioscoop met rumoerig publiek dat naar zichzelf zit te kijken. Met Netscape kon je plaatjes kijken. Daar was internet eigenlijk niet voor bedoeld, maar het maakte internet wel leuker. In Netscape 2.0 zaten frames. Met frames kon je navigatie scheiden van inhoud. Ik dacht dat navigatie scheiden van inhoud belangrijk was. Ik dacht dat mensen niet reddeloos mochten verdwalen op internet. Nu begrijp dat ik verdwalen op internet één van de attracties is. Ik dacht dus dat een website uit pagina’s moest bestaan, die je kon aanklikken via links. Zelf werd ik erg zenuwachtig van al die pagina’s, verscholen achter al die links. Het werden er steeds meer. Internet is een monster dat groeit als een kankergezwel. Dat onaffe, immer uitdijende is vreselijk. Achter een muisklik zitten honderdduizend pagina’s, of geen enkele, een zwart gat. Je weet eenvoudig niet wat je wel weet als je met een dikke Harry Potter op schoot zit: het moment waarop je de laatste pagina omslaat.
Omdat in die tijd niks kon, was een plaatje een belevenis, en een plaatje dat bewoog helemaal. Animated gifs. Hakkelig, hoekig, maar het bewoog. Je beeldscherm leefde (een vis op het droge, klapperend en kiewhappend naar lucht). Toen kwam Flash. Ineens doken websites op die er anders uitzagen en die draaiden om één ding: oneindigheid. Je kon eindeloos inzoomen, het beeld bleef scherp. Ik wist niet wat ik zag – misschien wist ik het wel, maar had ik het niet eerder gezien. Je kon klikken en er plofte iets open. Een paddestoel hupte weg. Het werd nacht. Het werd dag. Het web werd een timebased medium. Wat nou klikken? Wat nou interactie? Klikken is niet mijn ding. Ik heb nooit een intro geskipt, ik kijk elk filmpje dat binnendruppelt. Het eerste wat ik animeerde was een trol in loondienst. Leuk, maar trademarked door een ander, gemaakt voor een ander, en – hoewel het geluidje fijn was – niet vector genoeg naar mijn zin. (De trol werd bijzonder lelijk als je hem uitvergrootte.) Toen maakte ik een poppetje. Míjn poppetje. Dat poppetje moest in een film. Dat viel tegen. Animeren bleek tijdrovend. De trailer maken duurde een eeuwigheid. Werd helemaal niet wat ik in gedachten had. Al snel, na een jaar, hield ik het voor gezien. Het lag niet aan flash. Flash is geweldig. Flash doet de helft van het werk. Flash maakt tussenliggende tweens, Flash verzint ze zelfs voor je – unnamed tweens die zich als onkruid in je library nestelen. Als ik geen manier vond om sneller te animeren, zou ik nooit een film maken. Tot ik bedacht dat traagheid misschien het wezen was, dat het daar misschien om ging. Traagheid is logisch. Een animatiefilmer begint met niets, net als de tekenaar, de schrijver en de musicus. Een fotograaf heeft tenminste nog de werkelijkheid om te fotograferen, hij kan zijn camera op de wereld richten, de filmer ook, maar de animatiefilmer moet die wereld eerst maken. Eerst is er niets. Schrijven. Animatie is één van de tijdrovendste dingen die je kunt doen. Het is natuurlijk tijdrovender om piramides, paleizen en kathedralen te bouwen, maar dat is een tijdrovendheid die gepaard gaat met grote werken, met het sjouwen van steen, met het tarten van zwaartekracht, met de anonimiteit van ambachtslui, die hakken, bikken en houwen ter meerdere eer en glorie van koning, kerk, opdrachtgever, nooit zichzelf. World of warcraft. Het palais idéal toont aan dat ik overdrijf. Als een animatiefilmer in zijn eentje vijf minuten film per jaar aflevert is dat veel. Vergelijk dat met een romanschrijver die twee jaar doet over een boek. Als je een boek in vijf uur leest, kun je stellen dat een romanschrijver 150 minuten verstrooiing per jaar levert. Daar past een heel animatie-oeuvre in. Het oeuvre van een animatiefilmer is vaak klein, en kort, en dat maakt het prettig (als kunstliefhebber) om erin te stappen: een middagje film kijken, en je bent bij. Lekker overzichtelijk. Met de komst van de dvd is het nog eenvoudiger geworden. Om niet te spreken van Youtube. Nu denk ik, internet moet vol.


About this entry