het atelier van francis bacon

Een vloer bezaaid met kwasten, doeken, verf, knipsels – een slagveld, een enorme explosie die zojuist heeft plaatsgevonden. Zo ziet een atelier eruit. Na Bacons dood is dit atelier – zijn atelier – kwast voor kwast naar een museum vervoerd en daar opnieuw opgebouwd: elk dingetje precies op zijn plek gelegd. Omgekeerde mikado. Achter glas kun je nu bekijken hoe het atelier van Bacon eruit ziet: als een stilleven.
Ooit wilde ik schilder worden. Ik had geen atelier. Niet getreurd, in de keuken dan maar. Met schilderstape plakte ik grote vellen papier aan de muur. Ik schilderde snel en wild omdat ik dacht dat dat zo hoorde. Dat leverde vlekken op de muur op en die vlekken vond ik stoer – fijn als iemand langs kwam, dan was het lekker Rietvelderig in huis. Langzaam (eigenlijk ging dat nog best snel) raakte de keuken vol verf. Het feit dat ik het werk slechts op 50cm afstand kon beschouwen omdat ik met de rug tegen het aanrecht gedrukt stond (met mijn neus op de verf, ingezoomde kunst, je navel in close-up) beloofde weinig goeds. Ik stopte met de Rietveld en liet de keukenmuur vol verfspatten. Dezelfde ijdelheid speelt een rol bij de notitieboekjes die ik tegenwoordig bij me draag en quasi achteloos op tafel leg. Schrijfvlekken. Wordcountwaanzin. Webloggedoe. En toch, het moet subjectief, lijkt me. Het heeft tot gevolg dat ik oude berichten herlees en wit schilder omdat ik de ik niet meer herken. ‘Woorden staan er ook zo eeuwig, zo zwart op wit, zo vol gewicht,’ zei iemand. Dat is niet zo. De sisyphuskwelling bestaat eruit dat je eeuwig kunt wijzigen. Je beheert geen log, je onderwerpt je eraan.


About this entry